Emeritus Hoogleraar Jo Hermanns: “Ouders moeten weer opvoeden”

Nu de herfst in aantocht is, komen mooie long reads vanzelf weer boven drijven. Bijvoorbeeld dit interview met Jo Hermanns, emeritus-hoogleraar Opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Over de Nieuwe Jeugdwet, maar vooral over het failliet van de maakbare samenleving. Een stevig pleidooi voor de eigen verantwoordelijkheid van de ouder en daar houden we bij VitalDaddy van. Collega Marcel Vergonet tikte daar eerder deze maand al een stukje over. “Alles wat je aandacht geeft, groeit.” is wat je nodig hebt om jonge talenten in hun kracht te zetten. Aldus Vergonet. Hoe tijden ten slechte kunnen veranderen, bewijst deze quote van Jo Hermanns: “In mijn jeugd was fikkie stoken een regulier tijdverdrijf. Nu is het een misdrijf en kom je in een programma.”

Zet een potje thee of trek dat bokbiertje maar los en lees van de hand van Hans Kuitert (Telegraaf) het hele interview. Ben je in één keer helemaal bij.

Jo Hermanns, emeritus-hoogleraar Opvoedkunde aan de UvA, zucht opgelucht nu zijn jarenlange smeekbede is verhoord. „We gaan kinderen weer opvoeden in plaats van ze als patiëntjes te behandelen. Dat hoop ik tenminste.”

In zijn kantoor in Woerden is Hermanns vooral te spreken over het basisprincipe dat problemen van kinderen vooral in de gezinssituatie moeten worden opgelost. Vanaf 2015 krijgen de gemeenten daarover de regie. „De bestaande Jeugdwet is gebaseerd op een soort ziektemodel. Het geringste probleem en er moet worden behandeld. Men realiseert zich nu dat opvoeden niet los staat van de wijk waar je woont, de familie waartoe je behoort, het netwerk waarin je je bevindt. Los het dan ook daar op”, zegt de pedagoog. „Die wet was niet nodig geweest. Die omslag van denken had binnen de bestaande wet gekund, maar dat is niet gebeurd. Dus is het nu niet langer vrijblijvend.”

➤ Waarom was die wet dan nodig?

„Het probleem is dat de overheid veel te veel heeft willen oplossen. In onze samenleving willen we alle onaangenaamheden zo veel mogelijk uitschakelen. Wij hebben een cultuur gecreëerd waarin de overheid almaar bezig is problemen van burgers op te lossen om het leven zo rimpelloos mogelijk te maken, terwijl dat niet kan. Kinderen opvoeden gaat met ups en downs. Alle ouders worden wel eens wanhopig en het is toch raar dat we verwachten dat iemand anders dan direct je kind in het goede spoor leidt. We hebben nu een soort risicoloze samenleving waarin we alle problemen door professionals, betaald door de overheid of de zorgverzekering, laten oplossen. Dat doen we niet zelf, daar zijn instanties voor. En dat moet veranderen.”

➤ Dus te veel kinderen hebben een labeltje gekregen.

„Precies. Het idee dat de overheid alles oplost betekent ook dat de overheid een grens moest stellen, anders is het financieel onhaalbaar. Daarom wordt gekeken of een probleem wel erg genoeg is voor de overheid om geld uit te geven voor de oplossing. Dat heeft slagboomdiagnostiek opgeleverd. Je moet eerst een diagnose krijgen, jouw probleem moet eerst duidelijk omschreven zijn, anders gaat de overheid het niet betalen. Dat heeft geleid tot een enorme labeling van de kinderen en professionals die zich er mee zijn gaan bezighouden.”

➤ Eén op de zeven kinderen, vijftien procent, heeft zijn sticker opgeplakt.

„Ja, absurd want zoveel probleemkinderen hebben we helemaal niet in Nederland. Natuurlijk hebben we kinderen die ergens last van hebben of zorgen voor problemen en de ouders hebben er ook last van. Dat valt niet te ontkennen, maar dat wordt te snel getransformeerd in een ziekte. Dan gaat men vinden dat kinderen ziek zijn in hun hersenen en moeten worden behandeld. Hoe je met zo’n opvoedkundig probleem moet omgaan, wordt ouders uit handen genomen. Op een kind wordt een label geplakt en hulpverleners kunnen niets doen zonder een indicatie, anders komt er geen geld. Dat is het stelsel van nu.”

➤ Helpt al die diagnose de kinderen vooruit.

„Het idee is natuurlijk baat het niet, schaadt het niet. Het schaadt dus wel. De effecten van al die hulp zijn niet aan te tonen. Er zijn wel grote risico’s verbonden aan dat medicaliseren. Het labelen van een kind heeft zo zijn gevolgen. De identiteit verandert, van kind naar patiënt, van leerling naar zorgleerling. Je moet wel heel veel te bieden hebben om de balans in het voordeel van het kind om te laten slaan. Veel van deze kinderen komen uiteindelijk in de Wajong, dat is onderzocht. Ze zijn goed behandeld, maar hun verdere leven is gemarginaliseerd.”

➤ Jeugdzorg als een negatieve wissel op de toekomst.

„Het gaat al om honderdduizenden kinderen en dat hoopt zich op, er komen er steeds meer bij. En ze zijn langer volwassen dan kind. Goed, we kunnen niet alle problemen voorkomen maar we kunnen wel voorkomen om meer schade toe te brengen dan nodig is. Dat is een van de goede punten van de nieuwe wet. Het gaat erom dat we kinderen leren mee te doen aan de samenleving. Meedoen staat voorop en als dat echt nodig is kun je er therapie aan toevoegen, maar niet andersom.”

➤ Dus ouders moeten het zelf doen.

„Een van de consequenties van de nieuwe wet is dat men moet relativeren wat de overheid kan doen. Je kunt ouders wel ondersteunen bij het vinden van oplossingen, maar je kunt die niet voor ze bedenken. Laat staan voor ze uitvoeren. Dat moeten ze zelf doen. Dus niet meer het probleem over de schutting gooien en dan vinden dat het niet goed wordt opgelost en nog meer vragen. Problemen horen nu eenmaal bij het leven, soms zijn dingen niet veranderbaar. Daar moet je mee leren leven en er het beste van maken. En die benadering, die insteek zie ik wel meer terug in de nieuwe wet waarbij de verwachtingen van de burger wordt getemperd, dat de almachtige overheid en instanties alles wel oplossen. Nee, we zeggen nu, we gaan u helpen het zelf op te lossen.”

➤ Hoe groot zijn de problemen met de jeugd?

„Er komen ook steeds minder problemen van de jeugd, dat blijkt uit alle onderzoeken. Dat geldt voor alle indicatoren, zoals minder alcoholgebruik, ongezond eten, crimineel gedrag, zelfs pesten neemt af. Maar ja, als er maar een rimpeltje optreedt, maken wij er meteen een zorgvraag van. Ik loop mezelf ook geregeld te storen aan de jeugd die rondhangt en aan krijsende peuters in de supermarkt. Tegelijkertijd weet ik dat het geen groot probleem is. Alleen wegen we het zwaarder dan vroeger. In mijn jeugd was fikkie stoken een regulier tijdverdrijf. Nu is het een misdrijf en kom je in een programma.”

➤ Normaal gedrag wordt dus als problematisch gezien.

„Kinderen kunnen lastig zijn, ontregelend, maar dat hoort bij kinderen. Kinderen zijn per definitie slecht opgevoed. Die moeten nog opgevoed worden. Als opvoeder heb je je handen vol. Kinderen zoeken grenzen. Je kunt dat interpreteren als een stoornis of als een opdracht om het als ouders beter te doen. Het gaat om opvoedingsvaardigheden en daar mag je best steun bij zoeken. Maar ga de verantwoordelijkheid voor het geluk van je kind niet te snel aan een deskundige overhandigen. Dat is in de meeste gevallen niet nodig. Help die ouder met praktische dingen niet met het behandelen van het kind.”

➤ Kunnen ouders dat nog wel, opvoeden?

„We hebben opvoeden heel sterk geprofessionaliseerd. Ouders denken het dus niet meer te kunnen, zitten meteen met de handen in het haar. Bedenken, wie kunnen we bellen, is er een instantie die dat voor ons kan oplossen. En geldt niet alleen voor ouders, maar ook voor leerkrachten die ook heel snel kinderen als een probleemgeval bestempelen. We hebben geleerd om onze verantwoordelijkheid als opvoeder af te schuiven naar deskundigen. Daarom verliezen we ook onze praktische vaardigheden om dat te doen.”

➤ Wanneer is dat begonnen?

„In de jaren zeventig met de opkomst van psychiatrie. Nederland heeft een hoge dichtheid aan psychologen en psychiaters. De tere kinderziel werd blootgelegd, ook in bladen als Ouders van Nu. Daarom praten we nu alleen nog maar over welk label je kind heeft, in plaats van hoeveel je van je kind houdt en wat dat voor jou betekent. De overheid heeft eraan meegedaan met al die ondersteunende instanties, zodat het lijkt dat opvoeden ingewikkeld is en ouders daar niet voor geleerd hebben en dus een psycholoog móeten raadplegen om een probleem te snappen. Je licht opsteken is niet erg, wel dat je het oplossen van een opvoedkundig probleem uit handen geeft.”

➤ Toch komen veel kinderen klem te zitten, denk maar aan de vechtscheidingen.

„Niemand weet precies hoeveel vechtscheidingen er zijn, maar wat ik hoor van de bureaus jeugdzorg en de opvoedpoli is twintig tot dertig procent van de klandizie een vechtscheiding. Mijn redenering is dat ook de bureaus jeugdzorg terughoudend moeten zijn, de gezinsvoogd moet geen partij worden in het conflict, Dat maakt het alleen maar complexer, zeker als er een beschermingsmaatregel wordt aangevraagd bij de kinderrechter. Daar heeft de ombudsman ook al op gewezen. Wat mij wel opvalt is dat er bij die vechtscheidingen veel te weinig naar het kind wordt gekeken.”

➤ Niet iedereen is tevreden met deze wet.

„We moeten deze wet een kans geven. Niemand zegt dat het perfect gaat werken, maar het is in ieder geval een stap in de goede richting. Vraag is of de professionals die draai kunnen maken. Er was geen nieuwe wet voor nodig om deze omslag in denken te maken. Hulp bij het gezin, in de wijk, de sociale omgeving en met één hulpverlener, het staat bij instellingen al lang mooi op papier. Uitgaan van de eigen kracht van de burger, maar het is nooit gebeurd. De wet dwingt instellingen nu om anders te gaan werken.”

➤ Kunnen die hulpverleners dat wel?

„Dat kan wel. Nou ja, gedwongen. Ik heb de meeste ervaring met de mensen die het werk doen, de uitvoerders. Ik heb een behoorlijke tijd een jeugdinstelling geleid en daar meegemaakt dat het kan. De meeste hulpverleners willen dit in hun hart ook wel. Ik denk dat de meesten die in de uitvoering zitten deze omslag binnen een paar maanden kunnen maken. Dit is wat ze geleerd hebben maar niet mogen uitvoeren. Hoger in de organisaties wordt het lastiger. Ik denk dat een kwart van de staf het niet in de genen heeft om te bedenken dat mensen zichzelf zouden kunnen helpen. De managers geloven er helemaal niet in, want die leiden een instelling die op een ander spoor zit. De Nederlandse hulpverlener deugt, alleen de grootschaligheid van de instellingen en het systeem hebben eigenlijk hun werk afgepakt. Dat moeten we ze snel teruggeven. Geen regels en protocollen, het instituut jeugdzorg moet uit die mensen worden gehaald.

Raoul van Heese

Lees Interacties

Reacties

  1. Waarom Amerikaanse kinderen vaker ADHD krijgen dan Franse

    Trouw van vandaag (27okt2013)
    Zouden Franse en Amerikaanse kinderen zoveel van elkaar verschillen dat er naar verhouding bijna tweemaal zoveel Amerikaanse ADHD’ers zijn dan Franse?

    Familietherapeut Marylin Wedge gelooft daar niets van. In Psychology Todayageert zij tegen de Amerikaanse manier van opvoeden en de gewoonte om iedereen die niet aan de norm voldoet een pil te geven.

    In de Verenigde Staten krijgt 9 procent van de kinderen dagelijks medicijnen omdat ze aan ADHD lijden. In Frankrijk ligt dat percentage met 5 procent veel lager. Deels ligt dat aan een andere benadering van ADHD. Amerikanen beschouwen de stoornis als een biologisch-neurologische aandoening die het beste met medicatie kan worden behandeld.

    Franse kinderpsychiaters zien dat anders. Zij kijken naar de onderliggende oorzaken van het drukke en ongeconcentreerde gedrag. De Fransen zien ADHD als een psychosociaal probleem dat het beste met psychotherapie en gezinscounseling aangepakt kan worden. “Dat is een heel andere manier om dingen te zien dan de Amerikaanse neiging om alle klachten toe te schrijven aan een biologische stoornis, zoals een chemische onevenwichtigheid in de hersenen van het kind.”

    Een verschil is ook dat Amerikanen niet kijken naar de effecten van bepaalde voedingsstoffen op het gedrag van een kind. Kleurstoffen en conserveringsmiddelen kunnen een negatief effect hebben op het concentratievermogen van een kind. Amerikaanse psychiaters gaan hier volledig aan voorbij omdat zij volgens Wedge volledig zijn gefocust op medicatie.

    De familietherapeut wijst ook kritisch naar de Amerikaanse wijze van opvoeden, die zich ook laat lezen als een aanklacht tegen de Nederlandse manier. Franse ouders hechten volgens Wedge sterk aan structuur en discipline. “Consequent grenzen stellen zorgt er in de Franse visie voor dat kinderen zich veilig voelen. Duidelijke grenzen maken kinderen gelukkiger – iets dat overeenkomst met mijn ervaringen als therapeut en ouder. Tot slot zijn Franse ouders van mening dat het woord ‘nee’ kinderen redt van de tirannie van hun eigen verlangens.”

    Franse kinderen leren zodoende zichzelf beter te beheersen dan de Amerikaanse. Dat scheelt in het aantal voorgeschreven recepten voor Ritallin en Concerta. In Franse families zijn de ouders de baas, niet de kinderen, zoals in veel Amerikaanse gezinnen het geval is, stelt Wedge.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.